Het landgoed Whitmore in Greenwood Hills was een monument van precisie. Elke heg was tot op de millimeter nauwkeurig gesnoeid, elke marmeren vloer gepolijst tot een spiegelglans, en elke bewoner volgde een schema dat met de koele efficiëntie van een Zwitsers uurwerk verliep. Alexander Whitmore, de koning van dit stille kasteel, was een man die geloofde dat het leven een aaneenschakeling van problemen was die opgelost moesten worden door middel van logistiek en kapitaal.
Maar er was één probleem waar zijn miljarden niets aan konden doen: zijn tien maanden oude zoontje, Ethan.
Ethan was een prachtig kind, met de diep amberkleurige ogen van zijn overleden moeder en een volle bos donker haar. Maar die ogen waren meestal leeg, starend naar het contrastrijke speelgoed dat Alexander bij de vleet kocht. Terwijl andere kinderen van zijn leeftijd brabbelden en de wereld ontdekten, stond Ethan als een standbeeld. Hij huilde niet vaak, maar belangrijker nog, hij lachte nooit.
« Vertraagde emotionele reactie, » hadden de specialisten gezegd, terwijl ze hun bril rechtzetten bij het bekijken van dure hersenscans. « Misschien een probleem met de sensorische verwerking. Ga door met het strikte regime, meneer Whitmore. Structuur is veiligheid. »
Alexander nam die woorden voor waar aan. Hij huurde de beste nanny’s in, de meest klinische verzorgers, en hield zijn zoon in een bubbel van steriele perfectie. Hij toonde zijn liefde via spreadsheets en spaarrekeningen met een hoge rente, ervan overtuigd dat als hij maar genoeg gaf, het geluk vanzelf wel zou volgen. Hij besefte niet dat hij juist datgene verstikte wat hij probeerde te laten groeien.
Toen kwam de dinsdag waarop de wereld veranderde.